TBS en zo meer

Website beheer

Inloggen alleen voor beheerders van deze website.

Is Nederland beter af zonder TBS ?

 

Venlo, 25 oktober 2016, revisie 3 februari 2017

Is Nederland beter af zonder TBS ?

Over unieke eigenschappen van het Nederlandse tbs-stelsel, of de knuppel in het hoenderhok.

V.M.C. Verstappen

Motivering

Het toeval wilde dat ik nauw betrokken raakte bij het lot van een destijds 18-jarige adolescent die in zeer korte tijd afgleed naar ernstige criminaliteit. Bij hem wees het Pro Justitia (PJ) onderzoek uit dat er sprake was van ernstige psychiatrische problematiek waarvoor een snelle start van de behandeling, mede gezien de jonge leeftijd van betrokkene, dringend geïndiceerd werd geacht. Hij werd  veroordeeld tot een lange gevangenisstraf plus dwangverpleging (TBS). Ondanks de dringende indicatie  werd hij in de Penitentiaire Inrichting (PI) niet behandeld. Aanvankelijk tot mijn stomme verbazing; die al snel over ging in verontwaardiging. Binnen mijn toenmalige beroepsgroep  (ik ben - gepensioneerd - arts) overheerst de mening dat een noodzakelijk geachte  medische behandeling slechts dan adequaat kan zijn indien zij tijdig wordt gestart. Zoals bleek uit mijn talloze gesprekken over het onderwerp tbs, deelt vrijwel iedereen deze mening. Dat  blijkt o.a. uit het algemene ongenoegen over de (te) lange wachttijden in de zorg. Dit geldt uiteraard ook en in nog sterkere mate  voor de behandeling van zieke delinquenten. Ook is vrijwel iedere Nederlandse burger van mening (en is ook in onze wetgeving verankerd) dat de gezondheidszorg voor iedere burger gelijk van kwaliteit (equivalent) dient te zijn. Dat geldt dus ook voor de bewoner van een PI. En dat temeer  indien de pleger van een ernstig zeden- en/of geweldsdelict lijdt aan een (of meerdere) psychische stoornissen/ ziekten en moet verblijven in een ongunstig leefmilieu. Het feit dat in Nederland, voor zover mij bekend, als enigste land in de wereld, de behandeling van de tbs-gestelde in een TBS-kliniek (verder Forensisch Psychiatrisch Centrum, FPC) wordt uitgesteld tot na de gevangenisstraf, was bij geen van mijn gesprekspartners bekend. Slechts ongeveer 30 % van degenen met wie ik over de TBS sprak was van mening dat deze daders zo lang mogelijk, en bij voorkeur levenslang, uit de samenleving verwijderd dienden te blijven. Om die reden vonden zij dan ook dat uitstel van  behadeling gerechtvaardigd is. Een en ander motiveerde mij tot nader onderzoek van het Nederlandse stelsel van ter beschikking stelling. Een onderzoek waarmee ik pas startte nadat 10 jaar geleden bij de genoemde persoon de tbs-behandeling voltooid werd.

Inleiding.

In het Nederlandse tbs stelsel komen in de benadering van psychisch gestoorde/zieke plegers van ernstige zeden- en/of geweldsdelicten het speciële Strafrecht (Sr) en het universele Gezondheidsrecht (Gr) samen. Deze rechtsgebieden zouden in evenwicht met elkaar moeten leiden tot de maximaal haalbare beveiliging van de samenleving[1]. Naar de mening van vele beroepsmatig betrokkenen is dit evenwicht evenwel sedert vele jaren verstoord ‘ten voordele’ van het Sr[2]. Dit in tegenstelling tot het buitenland waar het Sr ‘wijkt’ voor de belangen van een goede zorgverlening tijdens de detentie. Nederland is dan ook het enige land, voor zover mij bekend, waar eerst de gevangenisstraf (voor 2/3de  [3])moet worden uitgezeten, waarna, onder voortzetting van de opsluiting, begonnen kan worden met een behandeling in een FPC. De behandeling in een FPC staat inhoudelijk op het niveau dat blijkens de Pro Justitia (PJ) rapportage medisch[4] noodzakelijk wordt geacht.

Er worden puntsgewijs tevens een aantal eigenaardigheden, tekortkomingen en “weeffouten” van het Nederlandse tbs-stelsel besproken die in hun samenhang het stelsel als zodanig uniek maken, in positieve maar ook in negatieve zin. Onderbouwd wordt waarom de  executievolgorde, eerst straffen en daarna behandelen in een FPC, kan worden gezien als de meest ingrijpende van die weeffouten.   

Besproken wordt wat  de gevolgen zijn van de huidige uitvoering van het stelsel voor het functioneren van de TBS en (dus) voor de veiligheid van de samenleving op de langere termijn. Ook wordt gewezen op het bestaan van een, in mijn ogen, belangrijke omissie in het strafrecht. In Nederland bestaat niet, zoals o.a. in Duitsland, de mogelijkheid om aanhoudend gevaarlijke delinquenten, uitsluitend op grond van het gevaarcriterium, ook na hun straf opgesloten te houden. De opsluiting wordt voortgezet zolang de bedreiging aanwezig blijft. In Nederland is verlenging van de vrijheidsbeneming uitsluitend mogelijk indien een psychiatrische diagnose gesteld is[5], en de dader een gevaar vormt voor zichzelf en vooral voor de samenleving.

Er wordt in deze bijdrage een scenario beschreven waarin deze beperkingen zijn opgeheven; de weeffouten zijn hersteld, de veiligheid van de samenleving (beter) geborgd is en het evenwicht tussen Sr en Gr hersteld. Tenslotte wordt de vraag gesteld of alsdan de ter beschikking stelling als begrip èn als stelsel niet opgeheven zou kunnen worden, uiteraard alleen indien de behandelmogelijkheden van het FPC behouden blijven. Deze vraag wordt ook gesteld tegen de achtergrond van de op handen zijnde nieuwe wet- en regelgeving en bijvoorbeeld de aanpak van het probleem van  ‘verwarde personen’.

1.  Speciale klinieken (FPC’s).

In het buitenland is er veel waardering voor de kwaliteit van de zorg in de Nederlandse, apart voor de psychisch gestoorde/zieke plegers van  ernstige  gewelds- en/of zedendelicten ingerichte klinieken , de FPC’s, alwaar zij een hoogwaardige medisch specialistische  behandeling krijgen. Ondanks deze waardering blijft het Nederlandse tbs-stelsel uniek. Geen enkel land heeft met name de executievolgorde van gevangenisstraf en navolgende behandeling in gesloten klinieken overgenomen.

2. De executievolgorde en zijn gevolgen.

Blijkbaar is men overal buiten Nederland van mening dat een medisch geïndiceerde behandeling niet uitgesteld dient te worden en nergens voelt men een gelijktijdige uitvoering van gevangenisstraf en behandeling  als onverenigbaar met een correcte uitvoering van het Sr. Om die reden wordt het blijkbaar in de ons omringende landen geen probleem gevonden als de uitvoering van de straffen aangepast wordt aan de eisen waaraan een goede behandeling moet voldoen. Voor zover mij bekend wordt overal en door eenieder het belang van een spoedig begin van een adequate behandeling van de gestoorde delinquent ingezien. Uitstel wordt nooit geïndiceerd geacht en wordt als schadelijk beschouwd. Dat vooral als de delinquent een (of meerdere) psychische stoornis(sen) heeft en noodgedwongen (maar terecht) vertoeft in een omgeving, zoals een PI, die beschadigend kan zijn. In het buitenland heeft de behandeling (in een gesloten inrichting) dan ook voorrang boven een verblijf in een strafgevangenis. Het Gr heeft aldaar het primaat. In Nederland bestaat evenwel een systeem waarbij de zorg voor deze groep delinquenten zich aanpast aan het primaat van het strafrecht: eerst gevangenisstraf, daarna behandeling (in een FPC). In het buitenland wordt de tijd die in zo’n gesloten kliniek wordt doorgebracht, afgetrokken van de totale straftijd. Bovendien kan de zieke (en langdurig gestrafte) delinquent door optimaal gemotiveerde samenwerking met de behandeling zèlf bijdragen aan eventuele vermindering respectievelijk kwijtschelding van de resterende navolgende  gevangenisstraf. Zoals dat o.a. in Duitsland en Zwitserland gebruikelijk is. Men zou kunnen stellen dat de buitenlandse forensisch psychiatrische inrichtingen of ziekenhuizen op deze wijze functioneren als ‘behandelgevangenissen’, omdat de tijd doorgebracht in deze klinieken meetelt als straftijd.

De Nederlandse executievolgorde heeft diepgravende consequenties. Enkele daarvan zijn in het kader van deze bijdrage van belang.

a.  ook de psychisch zieke/gestoorde delinquent dient, nèt als de somatisch zieke behandeld te worden en die behandeling dient gelijkwaardig    (equivalent) te zijn aan de zorg voor de ‘gewone’ mens. Dat betekent ook, naast inhoudelijke gelijkwaardigheid, dat een tijdige toegang tot adequate of verantwoorde zorg gewaarborgd dient te zijn en even tijdig dient te starten als bij de ‘gewone’ zieke het geval is. Daaraan wordt, uitsluitend bij deze groep psychisch gestoorde mensen, niet voldaan[6]. Dat lijkt in strijd met artikel 1 van de Grondwet[7].

Velen van hen hadden al ver voor het eerste ernstige delict een ingrijpende  behandeling nodig, zoals de recente zaken Johan R. en Bart van U. aantonen. Ook bij deze (nog) niet delinquente groep mensen faalt het huidige systeem. In het huidige stelsel zou bij deze patiënten, die, onder behandeling zijnde van de GGZ, een ernstig delict begaan, bij het  opleggen van tbs, de behandeling in een FPC  gedurende (2/3de van) de gehele straftijd uitgesteld worden. Dat lijkt om humane èn om reden van veiligheid,  niet aanvaardbaar.

b. Weliswaar heeft de Nederlandse rechter de mogelijkheid de minister te .adviseren over een eerdere plaatsing in een FPC, maar vrijwel steeds vindt overplaatsing  plaats  ten tijde van de VI datum. De minister van Veiligheid en Justitie (V&J) beslist hierover na de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdzorg (RSJ) gehoord te hebben. Daarmee is ons land het enige waar een rechter een medisch advies geeft en de minister van V&J een medische beslissing neemt, namelijk het uitstellen van een behandeling waarvoor een medische indicatie bestaat.

c. Als de rechter van oordeel is dat een spoedig begin van de behandeling aangewezen is in het belang van de veiligheid van de samenleving – immers een snelle start maakt een behandeling effectiever- , en hij dus een minder lange gevangenisstraf oplegt, ontstaat er strijd met het verlangen vanuit de samenleving tot strenge straffen. Het Nederlandse volk ( èn V&J ) ziet het verblijf in een FPC immers niet als straf en er zal dus verzet bestaan tegen een vermindering van de gevangenisstraf. De rechter zit daarmee in een spagaat. Ik heb de indruk dat, mede daardoor,  strafvermindering op grond van verminderde toerekenbaarheid, in  steeds mindere mate wordt toegepast[8]. Ook bij tbs-kandidaten zijn inmiddels gevangenisstraffen van 20 jaar niet meer ongewoon. Dat betekent automatisch dat bij deze mensen een adequate behandeling eerst gestart wordt rond de VI datum, na afloop  van 2/3de van de opgelegde straftijd[9].  Daarnaast beschouwt de rechterlijke macht, evenals alle bij de tbs betrokken professionals en uiteraard de tbs‘ers zelf, de voorheen tot gemiddeld 10½ jaar opgelopen verlenging van de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf töch als een disproportionele verzwaring van de straf. Dat heeft er, zoals ook de overheid erkent,  met zekerheid aan bijgedragen dat het opleggen van tbs bij voorkeur vermeden werd en wordt. Daarnaast speelt als mede oorzaak van de voortdurende afname van het aantal tbs-opleggingen  een rol dat tbs ‘kandidaten’, in 50 % van de gevallen succesvol, het opleggen van tbs frustreren[10], daarbij – mijns inziens terecht- geholpen door hun advocaat[11]. Dat heeft geleid tot een afname van het aantal nieuw opleggingen van tbs met meer dan de helft. Dat betekent vervolgens weer dat steeds meer psychisch gestoorde criminelen t.z.t. onbehandeld of niet adequaat behandeld, vrijkomen.  Dat, op termijn, ten detrimente van de veiligheid van de samenleving[12].  

3. Toerekeningsvatbaarheid langs de meetlat

Het hanteren van meerdere gradaties[13] suggereert dat de toerekeningsvatbaarheid, respectievelijk de mate waarin de rechter de dader het delict kan toerekenen,  kwantificeerbaar is. De varianten licht en sterk verminderd staan thans ter discussie[14]. In de meeste Angelsaksische landen gaat men er vanuit dat toerekeningsvatbaarheid een niet deelbaar begrip is, dat ook in de huidige tijd niet langs een meetlat gelegd kan worden[15].                                                                           Omdat men met name in de Angelsaksische landen de categorie ‘verminderd toerekeningsvatbaar’ niet kent, is het in die landen daarom vanzelfsprekend dat psychische stoornissen/ziekten worden behandeld tijdens de executie van de gevangenisstraf. In Nederland faciliteert de verminderde toerekeningsvatbaarheid als het ware de executievolgorde van straf en behandeling. Het maakt deze volgorde mogelijk. En misschien is dat onuitgesproken ook wel de bedoeling. Op deze manier heeft V&J namelijk de mogelijkheid om deze groep delinquenten na executie van (2/3de van) de gevangenisstraf gemiddeld 8 jaar langer van de straat te houden[16]. Wat bijverschijnsel zou moeten zijn, namelijk de verlenging van de opsluiting,  is daarmee mogelijk (versluierd) tot hoofddoel verworden.  

4. Medische behandeling onder de vleugels van V&J.    

Uitsluitend in Nederland wordt, voor zover mij bekend, een medische behandeling (in een FPC) onder  auspiciën van het ministerie van (V&) Justitie uitgevoerd. Overal elders gebeurt dit onder de vleugels van het ministerie van Volksgezondheid. Het is niet verwonderlijk dat in een departement met een sterk juridisch en sterk expansief karakter zoals V&J, het evenwicht, dat zou moeten bestaan tussen het strafrecht en het gezondheidsrecht wil de samenleving optimaal beveiligd worden, volkomen zoek raakt. Het is in Nederland dan ook gekomen tot een veel te grote greep van V&J, resp. de administratie, op de wijze waarop de behandelaars in het FPC hun werk doen. V&J gaat blijkbaar van de gedachte uit dat opsluiting veruit de voorkeur verdient boven een adequate behandeling als het er om gaat de veiligheid te borgen. Dit op basis van de simplistische en populistische gedachte: “hoe langer van de straat hoe beter”[17].

5. Automatische overplaatsing naar het FPC.

 

Een gevolg van de Nederlandse executievolgorde is dat de rechter, als hij een gecombineerd vonnis uitspreekt, daarmee vroegtijdig vastlegt dat na executie van de gevangenisstraf met zekerheid overplaatsing naar een FPC zal plaatsvinden. TBS kan evenwel uitsluitend worden opgelegd indien, naast de aanwezigheid van een psychische stoornis ten tijde van een ernstig delict, het gevaar voor de veiligheid van de samenleving vaststaat.

Nagelaten wordt echter de actuele gevaarlijkheid ten tijde van de overplaatsing naar het FPC  vast te stellen d.m.v. risicotaxatie[18]. Dus zal met zekerheid een aantal tbs’ers ten onrechte na hun gevangenisstraf gemiddeld 8 jaar vast blijven zitten[19]. Het is de vraag of deze gang van zaken, uit het oogpunt van rechtszekerheid, legitiem is.

Wordt de executievolgorde in de toekomst gehandhaafd, dan lijkt het noodzakelijk, ter wille van de rechtszekerheid, de TBS voorwaardelijk op te leggen, en alleen  dàn daadwerkelijk uit te voeren indien door middel van risicotaxatie het veiligheidsrisico ten tijde van het moment van opneming in een FPC “bepaaldelijk” is bevestigd. Daarmee zou dan eveneens bevestigd en benadrukt worden dat de behandeling in een FPC niet gezien kan worden als straf, maar uitsluitend dient tot  beveiliging van de samenleving. Een betere beveiliging van de maatschappij kan echter op een andere en superieure wijze bereikt worden. Zie paragraaf 6.

Het spreekt uiteraard vanzelf dat de Nederlandse executievolgorde de oorzaak is van het probleem van het automatisme. Als de executievolgorde in Nederland dezelfde zou zijn als die in het buitenland, dan kan deze mogelijke onrechtmatigheid zich helemaal niet voordoen.

6. Preventieve opsluiting (‘Sicherungsverwahrung’)[20].

Nederland kent niet, zoals in Duitsland[21] de mogelijkheid om plegers van ernstige delicten, na afloop  van de gevangenisstraf, langer vast te houden als de rechter ten tijde van het vonnis een “Sicherungsverwahrung[22]” oplegt. Dit uitsluitend op grond van de verwachting dat betrokkene ook na het uitzitten van de straf (en de eventuele behandeling) nog gevaarlijk zal zijn. In Nederland is dat niet mogelijk en dit kan een lacune in de Nederlandse wet- en regelgeving genoemd worden. In Nederland kan de opsluiting na de gevangenisstraf alleen dán verlengd worden indien er een samengaan is van een psychiatrische diagnose en gevaarlijkheid.  Zonder psychiatrische diagnose geen tbs en dus geen verlenging van de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf. Indien er geen diagnose gesteld kan worden, bijvoorbeeld omdat de PJ rapporteurs het niet eens kunnen worden of de dader medewerking aan psychiatrisch/gedragskundig onderzoek weigert omdat hij uit alle macht probeert een gecombineerd vonnis te ontlopen, wordt het voor de rechter moeilijk tbs op te leggen[23].

Dit is zoals reeds gemeld, een van de redenen waarom het aantal nieuw-opleggingen jaar in, jaar uit, terugloopt. Indien preventieve opsluiting in Nederland mogelijk zou zijn, betekent dat nog niet dat het niet goed zou zijn om daarnaast, uit veiligheidsoverwegingen,  te proberen het aantal adequaat behandelden te doen toenemen. Men poogt dat thans te bereiken door het beroepsgeheim te omzeilen om op die manier voor de rechterlijke besluitvorming relevante medische gegevens ter beschikking te krijgen.  Dat is de koers van V&J. De Nederlandse rechter heeft evenwel slechts twee mogelijkheden om de dader, zolang hij gevaarlijk blijft, opgesloten te houden: 1. door TBS op te leggen of 2. door een levenslange gevangenisstraf. Zoals bekend betekent alleen in Nederland dat de dader in dat laatste geval ‘echt’ zijn leven lang opgesloten blijft. Er gaan thans stemmen op om het Nederlandse beleid ook in dit opzicht meer in de pas te doen lopen met het beleid in de ons omringende landen en met de geest van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat bepaalt dat bij elke straf zicht moet worden gehouden op in vrijheid stelling. Zou het in Nederland, zoals in Duitsland , mogelijk zijn de delinquent preventieve opsluiting   op te leggen in aansluiting op gevangenisstraf, dan opent zich, ook in het probleem rond het ‘levenslang;’ een heel ander perspectief, namelijk de mogelijkheid de veiligheid van de samenleving, via verlenging van de vrijheidsbeneming te borgen zonder aangewezen te zijn op psychiatrische diagnoses; uitsluitend en alleen op grond van het gevaarcriterium. Zou deze preventieve opsluiting in Nederland mogelijk zijn, dan zou dat wel eens kunnen betekenen dat de afkeer  van de PJ rapportage en het vermijden van tbs-oplegging sterk afneemt. Als dan ook nog de executievolgorde van gevangenisstraf en behandeling in een FPC ‘omgekeerd’ wordt zal het verzet tegen het opleggen van TBS bij de rechtstreeks betrokkenen maar ook bij de professionals als sneeuw voor de zon verdwijnen. Verzet slaat dan om in optimale gemotiveerdheid. En dat zonder een spoor van dwang en zonder moeizame pogingen het beroepsgeheim te omzeilen teneinde de gestoorde delinquent tot behandeling te dwingen[24]

 

Scenario.                                                                                                           

Ik wil in deze bijdrage aan de hand van de bovenstaande opmerkingen ten aanzien van het tbs-stelsel een scenario presenteren waarin de verschillen in benadering van de psychisch gestoorde dader van ernstige delicten tussen Nederland en de ons omringende landen zijn opgeheven, zodat ook bij de tbs’er met een adequate behandeling begonnen wordt in aansluiting aan de indicatiestelling die deel uitmaakt van het diagnostisch proces. Daarnaast zijn er goede argumenten voorhanden om een vermindering van gevangenisstraf niet vooraf te verlenen, als, zoals reeds toegelicht, overbodige en vermijdbare consequentie van het aloude adagium ’geen straf zwaarder dan schuld (zie voetnoot 16 p. 6). Het lijkt veel zinvoller om deze strafvermindering eventueel toe te kennen indien de psychisch gestoorde delinquent door loyale medewerking aan zijn behandeling tijdens de detentie laat blijken zijn wandaden te betreuren en er verantwoordelijkheid voor te nemen. Dat zou, naar mijn mening,  ook voor de Nederlandse samenleving aanvaardbaar zijn alsook voor de zijde van de slachtoffers. Het zal wraakgevoelens sneller laten evolueren naar vergevingsgezindheid. De invoering van een dergelijk scenario zou vrijwel zeker betekenen dat de huidige afkeer van het tbs-stelsel bij alle betrokkenen sterk zal verminderen. Het preventieve effect van de behandeling zal sterk toenemen, alleen al omdat (veel) meer delictplegers, beter gemotiveerd,  een adequate (dus tijdig gestarte) behandeling krijgen.

 

Toekomstperspectief.

Nu de wetsvoorstellen forensische zorg en verplichte geestelijke gezondheidszorg nog niet aangenomen zijn is er nog volop gelegenheid om de uitzonderingspositie die het tbs-stelsel inneemt in dit geheel, te vervangen door een vormgeving die harmonisch past in het geheel van deze wetten en bijvoorbeeld het beleid t.a.v. ‘verwarde personen’ [25].                                                                                                                  Invoering  van deze wetten brengt een verruiming van de mogelijkheden tot primaire preventie[26] met zich mee. Dat wil zeggen : meer mogelijkheden om degenen die dat nodig hebben, zo nodig intensief te behandelen nog voordat er sprake is van een ernstig delict. Ook het rapport van de minister van VWS over de (geneeskundige) benadering van ‘verwarde personen’ is in dit opzicht van belang. Zowel bij Bart van U. als ook bij Johan R. was de psychische problematiek al jaren voor het eerste contact met de rechter bekend bij familie en naasten. Zij waarschuwden, zonder ook maar ergens (op beleidsniveau) gehoor te vinden, voor de gevaarlijkheid van hun familieleden. Ook toen Johan R. zelf de politie waarschuwde dat hij niet kon instaan voor zijn eigen gedrag werd daar door de politie niet adequaat op gereageerd.  

Het is duidelijk dat, nu  in de komende wet- en regelgeving eindelijk een harmonieus en volledig dekkend beleid vorm bereikbaar wordt, het tbs stelsel in zijn huidige anachronistische vorm niet ongewijzigd kan blijven. Alles pleit ervoor om met name de executievolgorde te verlaten en over te gaan tot invoeren van het oorspronkelijke voorstel van de commissie Fokkens (1993)[27] respectievelijk het voorstel van de (inmiddels) emeritus-hoogleraar van Marle destijds[28]: een ´omkering´ van de volgorde behandeling in een FPC en gevangenisstraf, waarbij de tijd doorgebracht in het FPC meetelt als straftijd. Dit alles uiteraard in een aan de huidige tijd aangepaste vorm[29].  Voorwaarde voor een revisie van het tbs-stelsel in het kader van de nieuwe wet- en regelgeving, is dat de overheid bereid is tot een herijking van haar beleid ten aanzien van deze groep delinquenten. Daarvan blijkt echter niets: 1. in de teksten van de twee wetsontwerpen is de term ‘tbs’ nergens te vinden[30]; 2. in het ‘manifest van Lunteren’[31] is de executievolgorde geheel buiten beschouwing gelaten en  3. het beleid t.a.v. het tbs-stelsel is onder de huidige staatssecretaris zo mogelijk nog repressiever geworden dan onder de voorgaande (VVD) bewindslieden reeds het geval was. Het manifest van Lunteren kan mede daarom, mijns inziens beschouwd worden als een geslaagde poging van de overheid te komen tot een consolidatie van de huidige voortzetting van de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf. Door ondersteuning te verlenen aan het streven de gemiddelde behandelduur terug te brengen van 10½ tot 8 jaar wordt als het ware de executievolgorde op zich gesanctioneerd[32].  Er wordt een enorme kans gemist als  het tbs-stelsel buiten schot blijft nu eindelijk gepoogd wordt de benadering van de psychisch zieke mens, binnen en buiten het strafrecht integraal te regelen zodat er een vloeiend continüum van behandel- en beveiligingsmogelijkheden gerealiseerd wordt. En dat zonder dat getornd wordt aan een volwaardige uitoefening van het strafrecht. Door het beschreven scenario te realiseren zal aan de teloorgang van de tbs een einde komen: het aantal adequaat behandelden zal spontaan sterk toenemen, ten gunste van de veiligheid van de samenleving.    

Op deze wijze wordt ook een einde gemaakt aan het onrecht dat aan tbs-gestelden wordt aangedaan. Hen wordt immers in het huidige systeem de mogelijkheid ontnomen om tijdens de gevangenisstraf actief en effectief te werken aan hun ziekte of/en gedragsstoornis. Er komt daarmee een einde aan de huidige discriminerende benadering van uitsluitend deze groep gestraften[33].

Kan het TBS-stelsel gemist worden ?

Zou het zover komen dat bovenbeschreven scenario geheel of gedeeltelijk werkelijkheid wordt, dan rijst de vraag of de tbs als stelsel onder die omstandigheden nog wel bestaansrecht heeft. Immers de psychisch gestoorde/zieke daders van ernstige zeden- en/of geweldsdelicten worden dan nog tijdens het strafproces opgenomen in een ‘behandelgevangenis type FPC’ om daar tijdig de behandeling te krijgen die medisch gezien geïndiceerd is, zoals dat ook het geval is bij iedere lijder aan een psychische of somatische ziekte in een PI of daarbuiten. Daarmee vervalt het huidige principiële verschil in benadering tussen de tbs’ers en andere groepen gedetineerden die dan allen immers volgens het equivalentiebeginsel tijdens de gevangenisstraf behandeld worden.

Het is duidelijk dat het tbs-stelsel in zijn huidige vorm in het geheel niet meer past binnen een stelsel waarin iedere psychisch gestoorde/zieke mens, indien nodig, op elk moment een behandeling krijgt die past bij de aard en ernst van de stoornis, ongeacht de ernst van het gepleegde delict, zo er al sprake is van een delict.  Bovendien wordt het dan eenvoudiger en meer voor de hand te liggen om niet alleen aan de gestoorde dader te geven wat hem toekomt (zijnde een rechtvaardige straf en een adequate -dus tijdige- behandeling), maar ook aan de slachtoffers en nabestaanden: aandacht en daadwerkelijke hulp bij de verwerking en het herstel van wat hen is aangedaan.

Niet alleen het tbs-stelsel kan dan verdwijnen maar ook de term tbs’er. Op den duur verdwijnt dan ook de levenslange stigmatisering van deze mensen. Dan vindt immers de behandeling plaats binnen de setting die past bij elke medische behandeling: binnen de beslotenheid van spreekkamer en kliniek. En buiten de schijnwerpers van de media.

Voor meer informatie betreffende het tbs-stelsel wordt verwezen naar de site www.tbsenzomeer.nl.

Voor opmerkingen, correspondentie: verstappenv @hetnet.nl of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 



[1] Gezondheidsrecht: betekenis en positie. Deel 2 preadvies 2007 van de vereniging voor Gezondheisdsrecht. PAM Mevis.

[2] Rechten van mensen in de gezondheidszorg. Deel 1 H.J.J. Leenen 2000 p. 15: “Tot voor de gezondheid noodzakelijke zorg dient eenieder toegang te hebben en zij moet aan eisen van kwaliteit voldoen.” Zie ook W. Nieboer Aegroto suum (de zieke het zijne), de toerekening in het strafrecht bij psychische afwijkingen. Diss Groningen 1970 p. 218: “een psychisch afwijkend verklaarde verdachte heeft recht op een onmiddellijk aan vangende adequate medische behandeling en de overheid is  verplicht een dergelijke behandeling mogelijk te maken…..”.

[3] Zijnde de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling (de VI-datum) voor die delinquenten die zich tijdens de gevangenisstraf voorbeeldig hebben gedragen. Tbs-gesteldenkomen dan evenwel niet (voorwaardelijk) vrij, maar worden rond die datum opgenomen in een FPC.

[4] Waar de term ‘medisch’ wordt gebruikt gelieve men ‘medisch/psychologisch/gedragskundig’ te lezen.

[5] Dit is niet helemaal correct: binnen de combinatie psychische stoornis en gevaarlijkheid  kan vrijheidsbeneming plaats vinden in het kader van de BOPZ. Dit betreft steeds opnemingen van korte duur in noodsituaties.

[6] Tijdens de gevangenisstraf kunnen tbs’ers korte tijd worden opgenomen in een PI met de faciliteiten van een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Hier kunnen zij, in voorbereiding op opname in een FPC vlak voor de VI datum een zogenaamde ‘pretherapie’ ontvangen. Pretherapie is een,  medisch gezien, inhoudsloze term. In het door mij geschetste scenario (zie bij ‘scenario’ p. 10) krijgt het PPC een zinvollere functie in het kader van de resocialisering.  

[7] Waarvan de tekst luidt: ‘allen die zich in Nederland bevinden, worden, in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, of op welke grond dan ook, is niet toegestaan’.

[8] De Hoge Raad heeft uitgesproken dat de rechter bij zijn straftoewijzing uitsluitend rekening dient te houden met de gelijktijdigheid van psychische stoornis en delict, en niet met de mate van toerekeningsvatbaarheid of het causale verband tussen stoornis en delict. Daarmee ontstaat voor de rechter de ruimte om de mate van strafvermindering naar eigen bevinden vast te stellen. 

[9] Zie de casus Robert M. Hij kreeg strafvermindering op grond  van verminderde toerekeningsvatbaarheid van 1 jaar op een eis van 20 jaar gevangenisstraf (!) en zal dus 14 jaar moeten wachten op een adequate behandeling.

[10] Bijvoorbeeld door niet mee te werken aan de Pro Justitia (PJ) rapportage

[11] Ook de advocatuur ervaart blijkbaar de thans gemiddeld 8 jaar durende voortzetting van de vrijheidsbeneming als een disproportionele verzwaring van de straf.

[12] Ook de overheid erkent dat deze ontwikkeling, waaraan zijzelf overwegend debet is, zeer ongewenst is. Zij heeft dan ook, middels DeForZo deelgenomen aan de werkconferenties Recht en tbs in 2013, die heeft geleid het zogenaamde manifest van Lunteren. Zie voetnoot 28 p. 11. Zie ook het burgerinitiatief van dhr. Donkersteeg”Dit kan niet langer” 2010.

[13] Namelijk volledig ontoerekeningsvatbaar, sterk verminderd, verminderd, licht verminderd, en volledig toerekeningsvatbaar.

[14] Van Marle stelde voor het aantal gradaties terug te brengen tot drie, namelijk volledig toerekeningsvatbaar, gedeeltelijk toerekeningsvatbaar en geheel ontoerekeningsvatbaar. De beperking tot drie graden heeft vooral  een cosmetisch effect, maar doet niets af aan het gegeven dat daarmee de Nederlandse  executievolgorde gehandhaafd kan blijven. 

[15] In de (nabije ?) toekomst wordt het wellicht mogelijk, bijvoorbeeld via functionele MRI scanning, om objectieve maatstaven te ontwikkelen over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

[16] In Duitsland kent men eveneens de categorie verminderd toerekeningsvatbaar. Men verbindt daaraan echter niet de consequentie de behandeling uit te stellen tot na de gevangenisstraf. Dat opent voor de Duitse rechter de mogelijkheid om toch  het adagium ‘geen straf zwaarder dan schuld’ toe te passen op het ogenblik dat behandeling (succesvol) beȇindigd wordt: bij patiȇnt/delinquenten met een lange gevangenisstraf, kan hij de nog resterende gevangenisstraf (voorwaardelijk ?) kwijtschelden.

[17] Of, zoals staatssecretaris Teeven het uitdrukte in het algemeen overleg met de vaste kamercommissie voor Veiligheid en  Justitie “die binnen zijn, zijn niet buiten”. 29452, nr. 139 20 april 2011.

[18] óf er wordt aan deze risicotaxatie niet de konsekwentie verbonden dat bij een gunstige uitkomst de ter beschikkinig stelling vervalt. 

[19] Bijvoorbeeld bij degenen bij wie inmiddels de gevaarlijkheid sterk is afgenomen , zoals bij ernstige levensbedreigende ziekte, hoge leeftijd of door rijping van het adolescente brein.

[20] ZIe MJF van der Wolf TBS veroordeeld tot vooroordeel. Diss. Rotterdam 2012 p. 683 en 748.

[21] Ook in Noorwegen kent men de preventieve opsluiting getuige Åsne Seierstad ´Een van ons´ p. 497 waar het vonnis over Anders Breivik, de moordenaar van Utөya, wordt vermeld. Nadat hij na een lange strijd tussen de deskundige psychiaters tot zijn grote vreugde door de rechters volledig toerekeningsvatbaar verklaard wordt,  krijgt hij de maximale gevangenisstraf van 21 jaar, met de mogelijkheid dat  de detentie op grond van veiligheidseisen  met telkens vijf jaar wordt verlengd `tot de dood hem inhaalt´.  

[22] Te vertalen met ‘preventieve detentie ’of liever preventieve opsluiting of beveiligingsopsluiting.

[23] Voorbeeldcasus: omdat in de recente `chaletmoord` Janet S. PJ onderzoek weigerde, legde de rechter niet de door het OM geȇiste tbs op, maar de maximale straf voor doodslag, zijnde 20 jaar gevangenisstraf. Moord werd niet bewezen geacht. Het OM is hiertegen in beroep gegaan. Stel dat de rechter de mogelijkheid had gehad om preventieve opsluiting op te leggen in aansluiting aan het uitzitten van de straf, dan zou de veiligheid van de samenleving ook na 20 jaar nog steeds gewaarborgd zijn, zonder tbs te moeten opleggen. De kans is groot dat de verdachte, inclusief haar advocaat, eieren voor haar geld gekozen zou hebben en zou hebben ingestemd PJ onderzoek en het opleggen van tbs. Als daarbij ook nog de behandeling meteen zou worden gestart zou de kans op een gunstig effect op de veiligheid van de samenleving gemaximeerd zijn. Als thans het OM in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, kan de tbs worden opgelegd, maar de kans op een gunstig effect zou minimaal zijn: de patiȇnt zal zich tegen behandeling verzetten en bovendien begint de behandeling pas over 14 jaar !  

[24] Het is mij niet bekend of in Duitsland of Noorwegen het daadwerkelijk uitvoeren van de opsluiting na de straf afhankelijk wordt gesteld van de bevindingen bij risicotaxatie op het moment van invrijheidsstelling.

 

 

 

 

[25] Inmiddels wordt hard gewerkt aan de landelijke vormgeving van de zorg voor ‘verwarde personen ’door het schakelteam voor personen met verward gedrag (december 2016). In deze benadering staat de persoon centraal; niet het systeem. Zie het rapport “Niemand tussen wal en schip”.

[26] Primaire preventie wil zeggen het voorkómen van het eerste (ernstige) delict, in tegenstelling tot de huidige preventie die secundair is omdat zij aan de orde komt nadat betrokkenen een (ernstig) delict hebben gepleegd. 

[27] Dit was trouwens ook de kern van het advies van GGZ-Nederland aan staatssecretaris (Albayrak) ten tijde van haar voornemen de Fokkens regeling te schrappen  (2010).

[28] Inaugurale rede ‘’de hang naar dwang’ van Marle Nijmegen 1993. Van Marle maakte deel uit van de commissie Fokkens.

[29] Als voorbeeld van zo’n aanpassing  moge dienen de rol die het PPC kan gaan spelen bij de behandeling van tbs’ers in voorbereiding op de start van resocialisatie-activiteiten

[30] Slechts op één plaats wordt indirect iets opgemerkt over ‘een behandeling die tijdens of na de gevangenisstraf wordt gegeven’.

[31] In het Manifest van Lunteren wordt het resultaat weergegeven van de werkconferentie Recht & TBS (8 november 2013), en de Taskforce behandelduur(verkorting) TBS op initiatief van V&J en GGZNederland. Formeel werd aan de conferentie deelgenomen door alle Nederlandse gremia die in het veld van de tbs actief zijn. Aanleiding was de zorg die men op V&J zegt te hebben over de houdbaarheid van het TBS-systeem mede door de oplopende  behandelduur en het uitblijven van opleggingen van de (TBS)maatregel. Een van de resultaten is dat de gemiddelde behandelduur in 2015 (het jaar waarin het manifest van Lunteren tot stand kwam) reeds was gedaald tot de gewenste 8 jaar. Of dat er aan bijdraagt dat TBS vaker wordt opgelegd staat nog te bezien. Tot nog toe blijkt daarvan niets: Het aantal  nieuw opleggingen bedroeg in 2011 111, in  2012 113, in 2013 93,in 2014 100 en in 2016 95, in 2013 88, in 2014 94 en in 2015 95 (Forensische Zorg in getal. 2011-2015).

[32] Het lijkt er op dat men binnen de administratie vastbesloten is de Heilige Graal van de executievolgorde  door de stormen van de huidige tijd te slepen, zoals dat ook in 1928 geschiedde.

[33] Die mogelijk mijns inziens in strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Als uitstel van behandeling daarnaast gezien kan worden als foltering is het Nederlandse stelsel tevens in strijd met artikel 3 van het EVRM.