TBS en zo meer

Website beheer

Inloggen alleen voor beheerders van deze website.

Moet de zorg voor ter beschikking gestelden (tbs’ers) op de schop?

Venlo 7 januari 2016

Moet de zorg voor ter beschikking gestelden (tbs’ers) op de schop ?

V.M.C. Verstappen

Inleiding. Aan de hand van een geruchtmakende casus (Johan R) wordt ingegaan op de relatie tussen de vele zaken die in deze casus zijn fout gegaan en een van de weeffouten van  het Nederlandse tbs-stelsel. Een van de weeffouten betreft de uniek Nederlandse executievolgorde van gevangenisstraf en de behandeling in een  tbs-kliniek (verder genoemd Forensisch Psychiatrisch Centrum  -FPC-). Besproken wordt welke gevolgen de volgorde eerst gevangenisstraf en aansluitend, onder voortzetting van de vrijheidsbeneming  behandeling in een FPC heeft voor de tbs’er en -indirect- voor de veiligheid van de samenleving. Kort wordt vermeld welke lacunes er zijn in de zorg voor ‘gewone’ gedetineerden (of detentie ‘kandidaten’) met psychische problemen. Er wordt een scenario geschetst waarbij de Nederlandse executievolgorde dezelfde is als die in de andere landen in de westerse wereld: start van de behandeling  in aansluiting aan het stellen van de diagnose(s). De tijd doorgebracht in de kliniek wordt meegeteld als straftijd. In  dit scenario wordt een executievolgorde voorgesteld die overeenkomt met het voorstel van de commissie Fokkens (1993). Zie hieronder. Uiteengezet wordt welke gunstige gevolgen deze ‘omkering’ van de executievolgorde heeft voor het effect van de behandeling en daarmee voor  de veiligheid van de samenleving.

De schuldvraag heeft in deze casus daarmee een andere dimensie dan gebruikelijk en het door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en/of het Openbaar Ministerie (OM) onderhanden genomen onderzoek heeft meer betekenis dan uitsluitend het onderzoek naar de oorzaak van een eenmalig incident. Het lijkt gewenst om, gezien de ernst en omvang van de tekortkomingen in het tbs-stelsel en in het algemeen in de benadering van de psychisch gestoorde justitiabelen die binnen deze voorbeeldcasus aan het licht komen, het geheel te onderwerpen aan een herbeoordeling, mede in het kader van de 3 wetsontwerpen op dit terrein.

 

De feiten

Johan R. doodde op 20 september een 82-jarige medegevangene: het voorlopige eindpunt van een neergaande ontwikkeling van vóór 2013. Hoewel de ouders bij voortduring en met steeds meer aandrang wezen op het dodelijke gevaar dat hun zoon vormde voor zijn omgeving werd hij desondanks niet, of slechts gedurende korte tijd behandeld tijdens een tweede detentieperiode in de EBI te Vught. Hoewel de vader aangeeft dat al veel eerder bekend was dat zijn zoon leed aan plotse periodes van ongecontroleerde agressie wordt eerst In 2015, tijdens de tweede detentie, adequaat psychiatrisch/psychologisch  onderzoek gedaan in het Pieter Baan Centrum (PBC). Daar werd de diagnose schizofrenie met plotse psychotische episodes gesteld. Johan R werd ´levensgevaarlijk voor zichzelf en anderen´ genoemd. In hoger beroep wordt, waarschijnlijk juist vanwege dit gevaar, de straftijd van 7 jaar teruggebracht naar 4 jaar. Dit waarschijnlijk om het begin van zijn behandeling in een tbs/kliniek te vervroegen. Hij wordt gedetineerd in de gevangenis in Zoetermeer, zijnde een ´gewone´ gevangenis zonder bijzondere faciliteiten voor behandeling van psychisch gestoorde delinquenten. Daar wordt de behandeling met geneesmiddelen gestaakt en kort daarna vindt de gruwelijke moord plaats. Niet duidelijk is of Johan R nu (dd 7 januari 2016) wèl met medicamenten behandeld wordt. In ieder geval, zo deelt de vader in een interview mee, wordt zijn zoon nu al gedurende 3 maanden van elke contact met de buitenwereld afgesloten.

Samenvatting van enkele commentaren.

In de media (zie bronnen) wordt, na een summier bericht in het AD van 20 september 2015, pas uitgebreider verslag gedaan van de feiten en enige achtergrond informatie gegeven op 20 en 23 december[1]. Er wordt commentaar op de gebeurtenissen geleverd door de vader van Johan R., de strafadvocaat Job Knoester, het tweede kamerlid mevr. Kooyman (SP) en de emeritus-hoogleraar forensische psychiatrie/psychologie van Marle. Allen brengen op zeer overtuigende wijze naar voren dat alles wat fout kón gaan  ook fout gegaan is in deze casus. Zo konden de bewakers de deur van de ruimte waarin Johan R. zich met zijn slachtoffer had ingesloten, niet van buiten openen!  Allen zijn ervan overtuigd dat Johan R. t/m nu een dringend noodzakelijke adequate behandeling is onthouden.[2]. Dhr. Knoester stelt daarbij dat het hier geen solitair incident betreft, maar dat het vaker voorkomt dat ernstig gestoorde delinquenten in de gevangenis niet goed behandeld kunnen worden o.a. omdat er te weinig faciliteiten zijn. Hij gaf verder als zijn mening dat deze mensen niet in de gevangenis thuis horen maar in een behandelkliniek.[3] 

Mevr. Kooijman (SP) spreekt eveneens in dit verband van een structureel probleem. 50 % van de gestraften heeft psychische problemen (waaronder ook te verstaan verslaving aan harddrugs en alcohol VV), maar slechts 8 % wordt behandeld (hoeveel percent adequaat behandeld wordt is onduidelijk VV). Het probleem neemt toe als gevolg van de bezuinigingspolitiek van de overheid.

Tenslotte: prof. van Marle deelt in het radio interview mee dat ‘wet nou eenmaal wet is’. Hij meent dat hier inderdaad sprake is van een beoordelingsfout, maar dat er wel aandacht voor het probleem was; immers Johan R, stond onder de hoede van de zorgafdeling  van de gevangenis. Hij wees op het bestaan van PPC’s voor dit soort gevallen. Op een vraag van de interviewer of hij van mening was dat het beter is eerst te behandelen en daarna te straffen (resp. de rest van de straf uit te zitten VV) wordt geantwoord dat dat inderdaad zo is[4]. De interviewer vraagt vervolgens of er analogie is tussen deze casus en de moord op mevrouw Borst en of er ‘niet meer aandacht moet zijn voor de omgeving van de dader. Van Marle antwoordt dat in deze twee gevallen inderdaad meer aandacht en invloed aan de leefomgeving van de dader had moeten zijn gegeven, en dat daarvoor de GGZ de aangewezen instantie is. Op de vraag van de interviewer of de gebeurtenissen in Zoetermeer te voorkomen waren geweest wordt geantwoord dat hem onvoldoende informatie ter beschikking staat om daar antwoord op te geven. [5]

 

Discussie

Deze casus is een voorbeeldcasus in die zin dat zij veel van de eigenaardigheden en weeffouten in de zorg voor de  psychisch gestoorde/zieke pleger van delicten blootlegt.

1) niet alleen zijn er vele (vermijdbare) fouten gemaakt, bijvoorbeeld het gegeven dat het personeel de deur van de ruimte waarin de moord plaatsvond, niet van buiten  kon openen;                                    2) maar ook ligt er het feit dat de vroegtijdige en  duidelijke waarschuwingen door de vader op geen enkel moment enige invloed hebben gehad op het gevolgde beleid. Anders geformuleerd: wat is gedaan met de noodsignalen uit de directe omgeving van Johan R ? Door politie , OM, GGZ ?                                                                                                                              3) de afwezigheid van een tijdige consistente medisch-psychiatrische diagnostiek en zorg.                                                                                        4) het schrijnend gebrek aan communicatie tussen de verschillende gremia die te maken kregen met deze casus.                                           5) de ontoereikendheid in de behandeling van deze groep delinquenten, die verre van equivalent is aan de zorg voor de zieken in de ‘gewone’ samenleving. Equivalentie van zorg is een wettelijk vereiste.                                                                                                              6) de afwezigheid van een duidelijk behandel- en preventiebeleid bij mensen als Johan R die een groot risico op criminele ontsporing vormen, maar (nog) niet of voor het eerst met de rechter in aanraking zijn gekomen.

Deze punten worden in het kader van deze bijdrage niet verder uitgewerkt; wij beperken ons tot de periode na het onderzoek in het Pieter Baan Centrum en eerste veroordeling,  dus tot de periode dat  de maatregel van tbs was opgelegd.

Weeffouten in het Nederlandse tbs-stelsel ?

In het geval van Johan R komt, naast het hierboven gestelde onder 1) t/m 6)  nog aan het licht dat het beleid ten aanzien van tbs-gestelden ook nog op andere wijze faalt. De meeste mensen uit deze uit deze groep krijgen  in de gevangenis helemaal geen behandeling en anderen (degenen die in een PPC behandeld worden) onvoldoende en/of meestal te kortdurend. In ieder geval moeten tbs’ers sedert het schrappen van de zogenaamde Fokkens regeling[6] (augustus 2010) wachten op een adequate behandeling in een FPC tot zij hun straf  (voor 2/3de[7]) hebben uitgezeten. Daarom ook is Johan R tot op de dag van vandaag, voor zover ik weet, niet overgeplaatst naar een FPC en wordt hij  dus niet optimaal behandeld, zo hij al behandeld wordt. En dat terwijl in het PBC werd vastgesteld dat er sprake was van een ernstig psychisch lijden met als gevolg daarvan groot en acuut gevaar op geweldsdelicten. Strafadvocaat Knoester gaf, zoals reeds opgemerkt,  als zijn mening dat ‘deze mensen niet thuishoren in de gevangenis maar in een tbs-kliniek’ om daar adequaat behandeld te worden. Dat Johan R. niet in aansluiting aan het onderzoek in het PBC in een FPC werd opgenomen is niet (uitsluitend) te wijten aan bijvoorbeeld individuele inschattingsfouten, maar is een uitvloeisel van de (uniek Nederlandse) executievolgorde van gevangenisstraf en behandeling in een FPC: eerst uitzitten van (2/3de  van) de gevangenisstraf, zoals vóór 1997; daarna onder voortzetting van de opsluiting overplaatsing naar een FPC voor behandeling. Gevolg: een gemiddeld 8 jaar durende verlenging van de opsluiting na het uitzitten van de gevangenisstraf. De consequenties daarvan zijn voorspelbaar en voorstelbaar: een toenemende afkeer van de maatregel van tbs bij betrokken delictplegers en hun advocaten, maar ook bij de rechterlijke macht en het PBC. En dus een sinds 2004 vóórtdurende afname van het aantal nieuw-opleggingen tot minder dan de helft. Dat heeft dan weer tot gevolg dat het aantal niet-behandelde plegers van zware gewelds- en/of zedendelicten zal toenemen[8]. Dit zal de veiligheid van de samenleving niet ten goede komen.. Het is niet onmogelijk dat de rechters in eerste en in tweede instantie geen goede inschatting hebben gemaakt van het gevaar dat gebonden is aan deze persoon en daarom geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die de wet hen biedt om onmiddellijke overplaatsing naar een FPC te gelasten. Daarbij moet worden overwogen dat de rechter in de Nederlandse situatie in feite wordt gedwongen om een medische beslissing te nemen, namelijk om een adequate behandeling uit te stellen tot na de gevangenisstraf. Ook bevindt de rechter zich, dank zij de Nederlandse executievolgorde in een spagaat: hij moet het belang van een effectieve (dus zo vroeg mogelijk gestarte) medisch-psychiatrische behandeling afwegen tegen terechte vergeldingswensen van de samenleving. Dat zou de reden kunnen zijn van de vermindering van de strafeis van 7 naar 4 jaar in het hoger beroep van Johan R. Een andere reden waarom de rechters geen onmiddellijke opname in een tbs-kliniek gelast hebben kan gelegen zijn in de rapportage van het PBC. Mogelijk is nagelaten een uitspraak te doen over de wens tot een onmiddellijke start van de behandeling.

Ook mevr. Kooijman is van mening dat het hier niet enkel handelt om een op zichzelf staand incident, maar dat er sprake van een structurele fout: de toenemende bezuinigingen waardoor van de 50% psychisch gestoorden in de gevangenissen er straks nog veel minder dan de huidige 8 % behandeld worden.

Scenario: start behandeling tbs’er in het FPC in aansluiting aan het stellen van de diagnose(s)

Voor het antwoord op de hierboven gestelde vraag of de gebeurtenissen in Zoetermeer te voorkomen waren geweest moeten we uitgaan van een virtuele situatie, een scenario,  namelijk de situatie dat het oorspronkelijke voorstel van prof. van Marle[9] en dus van de commissie Fokkens aangenomen was. De executievolgorde van gevangenisstraf en behandeling zou dan zijn ‘omgekeerd’. Na succesvol verloop van de behandeling zou bij langdurige gevangenisstraf het restant van de straftijd in een ‘gewone’[10] gevangenis kunnen worden uitgezeten. Onderdeel van het scenario is dat met de start van de behandeling niet gewacht wordt tot de uitspraak in hoger beroep omdat dit tot een onaanvaardbare vertraging in de behandeling zou leiden. Omdat bij langdurige gevangenisstraf tussen het bereiken van het moment waarop het medisch gezien verantwoord is te starten met proefverloven en de ommekomst van 2/3de van de gevangenisstraf zal de reststraf moeten worden uitgezeten in een ‘normale’ gevangenis. Om het effect van de behandeling op zijn minst te behouden zou het goed zij  als betrokkenen zouden worden overgeplaatst naar een gevangenis met PPC-faciliteit. Daarmee kan een pijnpunt in het voorstel van de commissie Fokkens worden weggenomen.

Als Johan R. onmiddellijk na het onderzoek door het PBC via de rechter zou zijn opgenomen in een FPC was de kans op het dodelijke incident zou aanzienlijk kleiner zijn geweest. Aangenomen mag immers worden dat medicamenteuze therapie direct zou zijn gestart, en er zouden waarschijnlijk al of niet op advies van het PBC extra veiligheidsmaatregelen in acht zijn genomen. De rechters zouden niet, zoals nu, in een spagaat zitten en zouden geen, in principe,  medische beslissingen hoeven te nemen, bijvoorbeeld over de duur van het uitstel van behandeling in een FPC. Er zou geen enkele reden zijn geweest de duur van de gevangenisstraf te bekorten om de behandeling in een FPC vroeger te kunnen starten. Het (m.i. terechte VV) verzet tegen het opleggen van tbs bij betrokkenen (in 50% van de gevallen succesvol)  en bij strafadvocaten zou verdwijnen en veranderen in een positieve houding t.a.v. de behandeling, hetgeen vanzelfsprekend zeer zou bijdragen aan het effect daarvan. Ook zou het PBC met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de rechter vaker dan nu adviseren tot het opleggen van tbs.

Dat het ministerie van Justitie aan de ouders heeft laten weten dat het OM, en/of de DJI grondig onderzoek zal doen stelt nauwelijks gerust. Te voorspellen valt dat men zal vinden dat de medicatie niet gestopt had mogen worden en dat Johan R. had moeten worden geplaatst in een gevangenis met PPC-faciliteit. Het is zeer de vraag of men de falende communicatie met de ouders of de falende communicatie tussen politie, OM en GGZ zal benoemen. Voorstellen om de communicatieproblemen te verbeteren vallen al helemaal niet te verwachten. Mogelijk ook zal in het onderzoek de vraag gesteld worden of Johan R niet volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard had moeten worden. Dan zou geen gevangenisstraf opgelegd zijn en Johan R zou met enige spoed in een gesloten GGZ instelling geplaatst zijn. De suggesties van dhr.Knoester over de omkering van de executievolgorde, stammend van prof. van Marle (1993) zullen naar alle waarschijnlijkheid worden doodgezwegen. Dit omdat de Nederlandse executievolgorde de status van heilige graal heeft binnen het Ministerie van  V&J, zoals blijkt uit de onwilligheid om deze executievolgorde zelfs maar ter sprake te laten komen. Er is dit ministerie blijkbaar alles aan gelegen om een beleid dat gebaseerd is op het statement ‘hoe langer van de straat, hoe beter’ zelfs ten koste van een adequate behandeling  van tbs’ers, koste wat het kost, te handhaven. Een beleid dat, zoals hiervoor gesteld, tegengesteld is aan het veiligheidsbelang van de samenleving op langere termijn.

Zolang dit overwegend op repressie gebaseerd beleid ongewijzigd blijft zullen ook de nieuwe wetten Forensische Zorg, de wet Zorg en Dwang en de wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg geen oplossing brengen van de gesignaleerd problemen. Integendeel, het element ‘beheersing’ is zo overheersend aanwezig, en het zorginhoudelijke element daarbij zo achtergesteld, dat het er voor niemand, en zeker niet de psychisch gestoorde delinkwent, door deze wetten beter  op wordt. Het is te hopen dat de casus Johan R ertoe leidt dat in de discussie over deze wetten de gesignaleerde problemen mede betrokken worden en dat zulks ertoe leidt dat de regelgeving rond het tbs-stelsel meer in overeenstemming wordt gebracht met de eisen die daaraan in strafrechtelijke èn gezondheidsrechtelijke zin gelijkelijk gesteld kunnen worden.

 

 

Tot slot:

Naar mijn mening is het huidige tbs-stelsel en de uniek Nederlandse executievolgorde van straf en (adequate) behandeling mede debet aan de dood van deze 82 jarige man.

Bronnen

-  Een Vandaag NPO 1 23 december 2015                                             - -                      -  Radio interview Radio een vandaag met prof. van Marle en Job Knoester23 december 2015                                                                         -    - ‘Ze wisten al hoe gevaarlijk Jan was, maar deden niets’ Jorina Haspels:  https://blendle.com/ad/ze-wisten-al-hoe-gevaarlijk-jan-was-maar-deden-niets/bnl-adn-20151223-5621848                          -      - ‘Dode bij steekpartij gevangenis Zoetermeer”. AD red. 20-09-15.   G  - ‘Gruwelijke details over gevangenisdood Zoetermeer’. AD Marco Gerling. 20 december 2015

 

Verder informatie over het Nederlandse tbs-stelsel zie www.forumtbs.nl;  www.tbsenzomeer.nl en Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.   

Normal 0 false false false NL X-NONE X-NONE /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:"Table Normal"; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-priority:99; mso-style-parent:""; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin-top:0cm; mso-para-margin-right:0cm; mso-para-margin-bottom:8.0pt; mso-para-margin-left:0cm; line-height:107%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:Calibri; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-ansi-language:NL;}



[1] De reden van dit uitstel is onduidelijk. Bewust beleid ? Waarom geen vragen in de Tweede Kamer ? Hebben de media zitten slapen ? Desinteresse ?

[2] Naar mijn mening kan  een behandeling adequaat genoemd worden als zij, gezien de ernst en de gecompliceerdheid van de psychiatrische problematiek en de ernst van het delict op het niveau van een FPC wordt uitgevoerd, èn indien zij aansluitend aan de diagnose gestart wordt. Een behandeling die vaak vele jaren wordt uitgesteld is uit medisch oogpunt per definitie inadequaat. Dit tenzij er sprake is van een self limiting disease of een ziekte die spontaan geneest (zoals bijv. mazelen). Dan is ‘watchfull waiting’ acceptabel.

[3] Behandel faciliteiten zijn voor minder ernstige psychische problemen  voorhanden in 5 Nederlandse gevangenissen in de vorm van een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Deze centra hebben niet dezelfde behandelkwaliteit en -intensiteit als de FPC’s en kunnen ook niet als alternatief gezien worden. Aan de gevangenis in Zoetermeer is geen PPC verbonden.

[4] Het antwoord van van Marle moet gezien worden tegen de achtergrond van het  feit dat hij in 1993 als eerste gepleit heeft voor een omkering van de executievolgorde en er ook als lid van de commissie Fokkens ervoor pleitte eerst te behandelen in een tbs-kliniek en daarna het eventuele strafrestant in een gevangenis (anno 2016 met PPC-faciliteit ? VV) te laten uitzitten.  

[5] De interviewer gaat helaas niet in op de vraag of de bestaande regelgeving, dus de Staat, niet mede verantwoordelijk is voor de dood van de 82 jarige man. En of aan die verantwoordelijkheid voldoende inhoud wordt gegeven door de opmerking ‘wet is nu eenmaal wet’.

[6] In het kader van de Fokkens regeling (1997) konden tbs’ers na het uitzitten van 1/3de van hun gevangenisstraf naar een FPC worden overgeplaatst. Zij werd na rumoer in de Telegraaf in 2010 ijlings geschrapt. 

[7] Zijnde het tijdstip waarop ‘gewone ’gestraften voorwaardelijk in vrijheid gesteld kunnen worden.

[8] De afname van het aantal nieuw-aanmeldingen heeft geleid tot het sluiten van een aan zienlijk aantal tbs-plaatsen. Daarnaast wordt de kwaliteit van de behandeling in gevaar gebracht door de ‘kaasschaaf’ bezuinigingsmethode van met name het Ministerie van V&J.  Doordat het tbs-stelsel zich bevindt in de wurgende omhelzing van een overwegend repressief opererende overheid dreigt een uniek en waardevol beveiligingsinstrument de nek omgedraaid te worden. 

[9] In zijn inaugurale rede te Nijmegen op 3 februari 1993. Prof. van Marle was destijds geneesheer directeur van het PBC, lid van de commissie Fokkens en adviseur van het ministerie van Justitie. In hetzelfde jaar 1993 werd prof van Marle benoemd tot gewoon hoogleraar forensische psychiatrie aan de universiteit van Rotterdam en staakte hij officieel zijn adviseurschap bij het Ministerie van Justitie..

[10] Om het effect van de behandeling niet verloren te laten gaan geniet het de voorkeur dat dit restant wordt doorgebracht in een gevangenis met de faciliteiten van een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC).